Dikke vrouw houdt kussen vvoor haar hoofd met de tekst The future is female

Zestig procent feminist

Toen ik een paar jaar geleden het idee opperde om ook textiel, specifiek breikunst, op te nemen in mijn wetenschappelijke onderzoek, zei iemand: ‘Je beseft wel dat je dan nog minder serieus wordt genomen in de wetenschappelijke wereld?’ Vooral het woordje ‘nog’ zat me dwars. Dat textiel een gekke hoek voor mij was als digital humanist, dat snapte ik wel. Het was niet logisch en zou lastig zijn. Het was waarschijnlijk niet het juiste pad op dat moment – ik heb het daarom niet doorgezet. Maar dat ‘nog’. Dat bleef lang hangen. Dat ging over mijn huidige onderwerp, gender en literaire kwaliteit. Omdat ik ‘iets met gender’ deed, werd ik in mijn veld in een hoek geplaatst: feminist. Lief naar lachen, verder negeren.

Wat ik hiervan leerde, is het volgende. Als je bij een groep wilt horen, dan moet je voor ongeveer 80% meedoen met de ongeschreven regels. Ik schond onder andere de regel in mijn vakgebied (en dan specifiek in Europa) dat je ook ‘neutrale’ onderwerpen onderzoekt en identiteit erbij doet. Ik week te veel af. Dus werd ik ‘minder serieus genomen’. Mijn wetenschappelijke carrière zou vrij vlug na die opmerking eindigen. Ik had de 80% bij lange na niet gehaald – niet alleen door dat feminisme overigens.

Die noodzaak om de 80%-regel te volgen, daar heb ik vaker moeite mee. Voordat je denkt: ‘Och jee, gaat ze pochen met haar rebellie’, laat me dat uitleggen. Ik ben opgegroeid in een Brabants arbeidersgezin. Mijn ouders werkten keihard en veel uren en hadden het nog steeds niet breed. Ze hebben mij altijd gestimuleerd het maximale uit mijn opleiding te halen, omdat ik het dan financieel beter zou krijgen. Dat heeft gewerkt, alhoewel momenteel vooral omdat ik getrouwd ben met een IT-er (wat een slechte feminist!). Ik woon in een kakbuurt, zoals een kennis onlangs achteloos liet vallen (nog een slechtere feminist).

Deze achtergrond heeft als resultaat dat ik de ongeschreven regels heb geleerd van beide groepen, zowel de arbeiders als de intelligentsia. Maar door die mengelmoes haal ik de 80% bij geen van beiden. In mijn oude wereld kan ik het niet meer – ik ben bijvoorbeeld mijn Brabantse accent voor een groot deel kwijt – en in mijn nieuwe, tsja. Misschien kan ik het niet, misschien wil ik het niet.

Ik word namelijk boos als mensen roepen dat boeren het probleem zijn en dat ze niet moeten zeuren dat we de veestapel verkleinen, omdat we zo onze planeet redden. De boeren in mijn familie werken hard om hun gezin te onderhouden. Zij zijn geen cijfers voor mij, of de karikaturen die de NOS opvoert. Als je geen mensen uit andere sociale klassen kent, dan moet je erg oppassen als je over hen gaat Twitteren. Maar ik word ook boos als er mensen zijn die roepen dat Zwarte Piet niks met racisme te maken heeft. Dat als hun het niks vinden, ze maar naar hun eigen land terug moeten gaan. Of dat mensen van ‘onze cultuur’ af moeten blijven.

En nu zit ik door mijn boek opnieuw tussen twee groepen in, twee groepen waar ik de 80% niet haal. Vandaag dacht ik even opgenomen te worden in een groep met witte literaire auteurs. Maar toen liep het spaak. Ik wilde niet meedoen als we alleen met witte vrouwen bleven. Ja, zo iemand ben ik tegenwoordig ook. Mensen denken op basis van mijn boektitel dat ik alleen voor gendergelijkheid ben, maar zo zit het niet. Ik heb uitsluitend het mechanisme achter genderongelijkheid ontrafeld, maar dat mechanisme werkt op gelijke manier voor etnische achtergrond, seksuele oriëntatie en lichaamsvorm; om maar een paar kenmerken te noemen waar mensen vooroordelen over hebben. Dat ik daar bijna niet over schrijf, daar mag je van alles van vinden, maar dat betekent niet dat ik intersectionaliteit onzin vind. Kortom, witte literaire auteurs is een groep waar ik de 80% vermoedelijk niet haal.

Dan zou je denken dat ik beter bij de intersectionele feministen pas. Maar dat is ook geen optie. Ik weet dat zij gelijk hebben, dat er veel identiteitskenmerken zijn die meewegen in oordelen, maar ik heb nog geen manier gevonden om dit altijd in de praktijk op een degelijke manier uit te werken.* Ik vind het legitiem om te regelen dat er zwarte auteurs meedoen in een gesprek over literaire hervorming – waarom lezen we alleen literatuur over Nederlands-Indië vanuit wit perspectief? Maar is het dan niet erg dat de excellente onderzoeker waar ik aan refereer met mijn link wit is? En wat doe ik dan bijvoorbeeld met fysieke gezondheid? Moet ik dan expliciet gaan zoeken naar literair auteurs met een lichamelijke beperking? Technisch gezien wel, lijkt me. En hoe zit het met sociale status? Literaire kwaliteit als meetlat is een sociaal uitsluitmechanisme bij uitstek. Tegelijkertijd snap ik heel goed waarom het bestaat, zou ik niet zonder intellectuele literatuur willen en denk ik dus niet dat die meetlat uit het raam de oplossing is. Dus geen 80%.

Samenvattend: ik pas niet in een van de groepen van het huidige intellectuele landschap. Als ik moet schatten volg ik in de praktijk ongeveer 60% van de regels van het intersectioneel feminisme. Kan feminisme ook een spectrum zijn? Mag ik dan drievijfde feminist zijn? Of is het binair – wel of geen feminist? Ik weet het niet en ik hoef het eigenlijk niet per se te weten. Ik wil een betere wereld maken – en daarvoor hoef ik mezelf niet aan anderen af te meten.

Fotocredit: Sinita Leunen via Unsplash

* Ik weet dat het niet gekunsteld zou voelen als ik literair auteurs zou kennen met een lichamelijke beperking. En ik weet dat ik dat zelf kan oplossen. Maar de vraag is, als ik het nog niet opgelost heb, en ik krijg de kans om over inclusiviteit te gaan praten, heb ik dan wel legitimiteit? Dat zijn de punten waar ik over nadenk. Ik vind overigens van wel, maar daar zal niet iedereen het mee eens zijn.