De overspannen wetenschapper – deel 2

Toen ik eind vorig jaar ging zitten om een blogpost te schrijven, wist ik niet zo goed wat ik van plan was. Ik wist alleen dat ik die dag moest werken, en dat ik geen idee had waar ik moest beginnen. Blijkbaar was ik niet de enige die vast liep, of die ooit vastgelopen was, want ik kreeg heel veel reacties. Berichten van herkenning, persoonlijke verhalen en bemoedigende woorden (bedankt daarvoor!). New Scientist klopte zelfs aan. Ik moet het tijdschrift nog kopen, maar als het goed is, dan staat er deze maand een interview in. Het was overweldigend en daarom liet het beloofde deel 2 op zich wachten. Ik wilde dit deel eigenlijk eerst ‘deel anderhalf’ noemen, omdat ik nog niet iedereen gesproken heb die aanbood mee te werken, en omdat ik niet alle verhalen die met me gedeeld zijn kon opnemen. Maar uiteindelijk heb ik besloten dat dit het is, dat ik het hierbij ga laten. Ik kom er zo op terug waarom dit is – eerst even mijn bevindingen.

Twee leerpunten

Ik leerde de afgelopen maanden twee dingen:

1) Je moet als jonge wetenschapper een redelijk rustig en gezegend leven buiten je werk hebben om je op dit moment met enig gezond verstand overeind te kunnen houden in de wetenschap. Geen ziekte, geen zieke familieleden, geen jonge kinderen (ook niet als je de vader bent), geen beperkingen waardoor je aan Nederland gebonden bent; dit lijstje is gebaseerd op voorbeelden die met me gedeeld zijn. Je moet het ook niet erg vinden dat wanneer je uiteindelijk die VENI binnensleept, er vreemde trucjes uitgehaald worden om te zorgen dat je wel voor vast aangenomen wordt, maar toch niet echt. Er is geen zekerheid. Er is te weinig geld en degenen zonder een degelijk vast contract zijn in een keihard gevecht verwikkeld, waar niet alleen hard werk, maar ook geluk (zowel privé als in toekenning van gelden) een grote rol in speelt. Duidelijk is dat je als jonge wetenschapper voortdurend op het toppen van je kunnen moet presteren én geluk moet hebben, wil je het redden als academicus. Hier is nog geen oplossing voor – als je in de wetenschap wilt blijven, moet je simpelweg bereid (en toegerust) zijn om dit te accepteren.

2) Ik was al te lang doorgegaan. Een maand na mijn blogpost vertelde ik een vriendin die psycholoog is redelijk luchtigjes dat ik niet zo goed sliep en gekke dingen begon te vergeten. Zij trok aan de bel: ik ging richting een burn out. En ik had het oprecht niet doorgehad. Zelfs niet met het schrijven van de eerste blogpost. Gelukkig zat ik er niet volledig doorheen, maar ik moest wel veranderingen gaan aanbrengen. Een carrière-cursus die ik al een tijd geleden gepland had, kon dus niet op een beter tijdstip komen. Het was een tweedaagse cursus, Mapping out your road as a science professional, door Qia consulting. Ik had de organisatoren, Chiat en Ralph, leren kennen bij een carrièredag van de KNAW voor PhDs en postdocs. Het vertrouwen dat ik daardoor in hen kreeg, bleek terecht, het was een intense en heel verhelderende cursus. Tegelijkertijd was het absurd. Ik sta daar met een groep superslimme, hardwerkende, getalenteerde mensen — die zelfs voor een groot deel uit ‘harde’ bèta-wetenschappers bestaat, daar zou toch zogenaamd het geld zitten — en we hebben allemaal grofweg hetzelfde verhaal. Leuk, wetenschap, maar de randvoorwaarden nemen het plezier in de inhoud voor een belangrijk deel weg. Ik was niet de enige die tegen een burn out aan zat of al gehad had. Een generatie aan jonge wetenschappers verliest het plezier en de motivatie om door te gaan in de wetenschap, met name omdat er nauwelijks tijd meer is om die wetenschap daadwerkelijk te bedrijven. En ja, dit is een selectie van mensen die twijfelt (al kwamen er ook mensen terug gesterkt in het idee in de wetenschap te willen blijven), maar ook degenen die het wel goed doen, vertellen over de extreem hoge werkdruk en het gevoel het af en toe op het randje te zitten. Vooral waar het het schrijven van aanvragen betreft. Het kan aan mij liggen, maar dat lijkt me een groter probleem dan ‘er zijn wat mensen die het niet meer aankunnen’. Al die burn outs en overspannen mensen – dat zijn jaren van potentieel werk die door een putje weglopen.

Een terzijde voor de leden van de oudere generaties die nu hun hoofd schudden: nee, het probleem is niet beperkt tot jonge wetenschappers, maar voor hen hangt er meer vanaf. Zij weten niet waar ze over twee jaar zullen zijn, of kunnen geen huis kopen, of moeten een baan afslaan omdat ze anders effectief een kind op de rug zouden moeten binden tijdens het werk vanwege ongunstige kinderopvangregelingen (afgezien van het op de rug binden een waar verhaal). Deze mensen hebben nu al geen tijd meer voor onderzoek en ze zijn nog niet eens universitair docent. En voor de mensen die het ook slecht gehad hebben, nu wel een vaste positie hebben en niet snappen wat mijn punt is: zou jij destijds niet gewild hebben dat de situatie wat minder nijpend was? Of dat er eerder duidelijkheid kwam over je positie? Bovendien, dat iets jaren geleden al niet best was, is geen reden het nog meer te laten verslechteren — de situatie is nu trouwens simpelweg slechter dan jaren geleden, de kans op een vast contract is zo goed als nihil geworden.

En nu?

Gelukkig is voor het individu dat twijfelt een oplossing, namelijk je opties opbreken. Vanaf jaar drie in je proefschrift is het zo belangrijk om de alternatieven te gaan bekijken, je motivaties en drijfveren te onderzoeken. Wat ik leerde van de coaching (en van alle reacties die ik op mijn eerste post kreeg van mensen die de stap al gemaakt hebben) is dat er ontzettend veel leuks is buiten de wetenschap. En het belangrijkste: je bent daar óók voor getraind – je vakinhoudelijke kennis is maar een klein deel van alle vaardigheden die je opdoet; bovendien is de kans erg groot dat je niet alleen nieuwsgierig bent, maar ook heel snel leert. En je vindt misschien meer leuk dat je dan denkt. De training leerde me dat veel mensen een motivatie hebben die dieper of verder reikt dan inhoudelijke kennis. Coaching kan je helpen inzicht op te doen in de mogelijkheden als je er zelf niet uitkomt. Ik kan Qia Coaching in elk geval van harte aanraden (nee, ik word niet gesponsord, beloofd); zij zijn gespecialiseerd in de begeleiding van promovendi en postdocs – en de uitkomst van zo’n traject kan dus best zijn dat je besluit in de wetenschap te proberen te blijven, maar dan heb je wel je motivatie helder.

Voor het grotere geheel: het gaat om meer dan alleen geld, het gaat om een cultuuromslag. Het is mogelijk, maar er moet meer goede wil zijn, meer effectieve actie. De Universiteit Gent heeft bijvoorbeeld een alternatief model ingevoerd. Dit is uiteraard niet een mogelijkheid voor iedereen, kleine stappen zijn ook nodig. Ik sprak een professor die met kleinere handelingen probeert een golfbeweging te maken. Zij zorgt dat ze tactisch ‘punten’ binnenhaalt voor zichzelf en biedt tegelijkertijd promovendi buitengewoon gunstige publicatiemogelijkheden. Zij was optimistisch, ook al gaat het niet snel. Dit zijn maar twee voorbeelden, er is uiteraard nog veel meer. Het helpt in ieder geval niet om af te wachten. Hoe meer mensen, hoe beter. Ook al denk je niet in een positie van macht te zitten, mogelijkheden zijn er altijd (al is het maar een blogpost 😉 ). Meer suggesties zijn welkom in de comments hieronder.

En nogmaals bedankt voor alle berichten, warme woorden en persoonlijke verhalen. Ik hoop dat er iemand komt die er een human interest-verhaal van wil maken en dan vraag ik jullie nogmaals om mee te werken, maar voor mij is het belangrijk hier nu voorlopig een punt achter te zetten. Bij dezen.